Delftse gietmethode®
Algemene overwegingen bij de Delftse gietmethode
Een van de aantrekkelijke technieken bij het
emailleren is het werken met émail cloisonné of émail
champlevé. Hier zullen we het hebben over gegoten materiaal, zoals
dat door emailleurs kan worden gebruikt.
Voor het maken van gietwerk met cloisons is het vaak noodzakelijk om dunne
gietsels te hebben. Dit kan heel goed als op alle potentiële problemen
wordt geanticipeerd. De hoeveelheid zilver is kleiner, daardoor is de
verhouding tussen oppervlak en inhoud ongunstiger en de warmteafgifte
versneld zodat zilver eerder stolt in de gietaarde, kleine oneffenheden
in het bed dat met zilver moet worden gevuld (korreltjes aarde, opgeworpen
randen van steekopeningen, stromen tegen de zwaartekracht in, voorkeursstroom
door richting van het gietkanaal, te nauwe ontluchtingskanalen, etc.)
hebben in beginsel grote invloed op het eindresultaat. De volgende punten
zijn in de praktijk van belang bij toepassing van de Delftse gietmethode.
- Zorg voor goede ventilatie in de ruimte waarin u giet, anders krijg je gemakkelijk een stekende hoofdpijn.
- Inspecteer met een loep eerst de voorstelling op de fotopolymeerplaat. Kijk of de randen van cloisons overal wel even hoog, breed en glad zijn en of kleine details in de voorstelling wel tot voldoende uitgediepte polymeerplaat leidden. Als dat niet zo is moet meestal een nieuwe vorm worden aangemaakt, anders krijg je onbevredigende gietsels.
- Breng via dubbelklevende band op de achterzijde van het model in de fotopolymer (bijv. van Jet - wij gebruiken LSL-148-SB SH Staal, te verkrijgen via Jet Europe, Zeewolde) zo nodig één of meerdere lagen van een acetaatvel aan (of evt. een ander materiaal, zoals dun metaal), zodat de minimale dikte van het model ca. 0,7-0,8 mm bedraagt. Knip overtollige delen van het model en het acetaat er af.
- Reinig met een borstel de plaats op tafel waarop u de gietaarde gaat uitstorten. Het oppervlak moet schoon en heel glad zijn.
- Maak de gietaarde waarin de afbeelding wordt afgedrukt goed fijn met de zijkant van een dunne ijzeren liniaal; dit komt de gladheid van het oppervlak waarin u het model drukt ten goede. Het helpt ook voorkomen, dat er klonten zijn met daartussen lucht, die tijdens het gieten de zaak uiteendrukt en een mislukte gieting geeft.
We hoeven, anders dan bij het gieten van bijv. een ring, alleen aandacht aan één zijde van het model te besteden: de rugzijde is immers vlak. Soms is het gemakkelijker om kleine holten en cloisons goed te vormen door ze te vullen met gietaarde en deze vervolgens aan te stampen, dan door deze in reeds aangestampte gietaarde te drukken.
Klaarmaken van de gietvorm
![]() |
| Figuur 11 - Plaats de ring met daarop het model (gladde achterzijde ligt boven) tussen twee metalen platen, en druk deze met een lijmklem aan. |
Plaats de ring met de opstaande rand naar beneden op een vlakke ondergrond. Is de ondergrond niet heel vlak, zet dan de ring op een stukje acetaatvel, zodat het oppervlak waarin het model wordt gedrukt goed glad is.
Vul de ring voor de helft met gietaarde, stamp deze stevig aan met de hamer. Vul royaal bij en hamer dit stevig aan.
Verwijder overtollige aarde door deze met de liniaal af te strijken, draai dan de gevulde gietring om.
Dun poederen van de gietaarde en de polymeerplaat; blaas de polymeerplaat en aarde schoon van overtollig poeder. Gebruik weinig poeder, want bij een overmaat ontstaan er putjes in het gegoten zilver. Er bestaat geen bezwaar tegen het oppervlak waarop het model komt met de muis van de hand of een gladde metalen liniaal na poederen nog wat glad te strijken. Je strijkt er oneffenheden of korreligheid mee weg.
Leg het model op de gladde gietaarde. De met acetaatfilm aangedikte polymeerplaat is nog behoorlijk flexibel. Plaats hierop een dikke metalen liniaal of plaat (zodat alles vlak blijft) en druk deze in de gietaarde. Naarmate de gietaarde steviger is aangestampt is het model er echter moeilijker in te drukken. Probeer eventueel het volgende (figuur 11). Steun de bodem van de gietring met een vlakke, metalen plaat, plaats een dikke metalen plaat of liniaal op de rugzijde van het model, en druk het geheel aan met een lijmklem. Maak de klem vervolgens los, laat het model op zijn plaats.
![]() |
| Figuur 12 - Plaats de tweede ring op de eerste, let daarbij op de inkepingen. Vul weer met gietaarde die goed wordt aangestampt met de hamer. |
Ga als volgt verder:
Tweede gietring op de eerste plaatsen zodat de inkepingen boven elkaar komen, op dezelfde manier als de eerste ring vullen met gietaarde en deze stevig aanstampen (fig. 12), vervolgens met de liniaal glad afstrijken.
Neem de twee gietringen uit elkaar, en verwijder voorzichtig, bijv. met een scherpe pincet of mespunt, het model uit de gietaarde. Controleer dat er een scherpe, onbeschadigde afdruk is.
![]() |
| Figuur 13 - Aanbrengen van luchtkanalen en giettrechter. |
Plaats de bovenste gietring omgekeerd op een vlakke ondergrond, zodat wordt gewerkt van de zijde die op het model ligt. Steek luchtkanaaltjes (figuur 13) tot op de bodem, met steker en al gietring optillen, steker iets doordrukken en aanhangende aarde met mesje verwijderen. Steker er uit, evt. met mesje de buitenste steekopening uitsteken, waarna de ring weer op de tafel kan worden geplaatst. Laat de steekgaatjes van binnen naar buiten verlopen (fig. 14), zodat er voldoende ruimte blijft voor de giettrechter. Wrik de steker niet, maar steek in één keer rechtuit. Volgende luchtopeningen idem. Zorg er voor dat de steekopening begint aan de buitenrand van het model; immers, alle lucht moet kunnen ontwijken, en dat is niet het geval indien het luchtkanaal centraal wordt geplaatst en vol met zilver loopt voordat de rand is bereikt.
![]() |
| Figuur 14 - Luchtkanalen, giettrechter en model op doorsnee van de ringen. |
Maak een gietopening door middel van een holle buis met een diameter van tenminste 5 mm, evt. te verbreden door twee keer kanaal te steken vlak naast elkaar (figuur 14). Zorg er voor dat verticaal wordt gestoken, wrik de steker niet want dit leidt tot verplaatsen van de gietaarde bij de steekopening, zodat er een wal wordt gevormd met een brokkelige plek rond de ingietopening. Met mes aan de zijde van waar af gegoten gaat worden ruime giettrechter maken tot vlak bij het model; laat slechts een minimum van de gestoken hals bij het model staan. Een ruime, hoge trechter betekent meer gewicht dat het zilver helpt verder te vloeien, en minder snelle stolling. Trechter met buisje o.i.d. goed glad maken, rond ook voorzichtig de opening die eindigt op de rugzijde van het model iets af (inzet van figuur 14): de rechte rand is niet geheel stabiel, zodat korreltjes tijdens het gieten loslaten en dit leidt na het gieten tot putjes in het zilver aan de voet van de giettrechter. Vervolgens alle losse korrels verwijderen, controleren of luchtopeningen open zijn gebleven. Trechteropening zachtjes doorblazen.
In het voorbeeld in fig. 14 is de giettrechter midden boven het model geplaatst. Dit is zinvol bij grote modellen van bijv. 4x4 cm, omdat dan het aantal mislukte gietsels het geringst is; het betekent wel vrij veel nawerk, want er moet vrij veel werk in het glad maken van de achterkant van het zilver worden besteed. Bij kleinere modellen kan de giettrechter, evenals de luchtkanalen, naast het model worden aangebracht, met ruime verbindingsgootjes naar het model.
Verwijder evt. gietaarde van de klemranden van de twee ringen. Leg het model met de rugzijde in de bovenste gietring en druk nog eens voorzichtig aan, met name ter plaatse van de giettrechter, omdat de bodem hiervan door alle bewerkingen vaak iets is verzakt. Bij het maken van de gietopening en luchtgaten komt nl. de aarde meestal iets omhoog. Daardoor vloeit het zilver op die plaats minder goed, en wordt de holte van het model niet homogeen gevuld, hetgeen leidt tot minder hoge cloison-randen, onvolledige dikte van de plaat, of gaten in de plaat. Het stroombed is bij dunne modellen immers erg nauw, dus is de koele kleiwand dichtbij en zal zilver snel stollen: elke stroombelemmering (ook door te nauwe ontluchtingskanalen) leidt tot imperfecte gietsels.
Verwijder het model, plaats daarna de ringen weer op elkaar (let op inkepingen).
Zorg dat de gietvorm goed horizontaal staat als u dunne plaatjes wilt gieten, want het stroombed is erg nauw. Plaats de gietringen op de plaats waar u gaat gieten op een ondergrond waarvan bijv. met een knikker is gecontroleerd dat deze horizontaal verloopt. Sommige problemen met het niet goed uitlopen van het zilver in de mal zijn terug te voeren op een uit het lood staande gietvorm, maar dit speelt vooral een rol als het zilver geen optimale temperatuur heeft en/of de luchtkanalen te smal of te weinig in aantal zijn. Dit is als volgt te begrijpen (figuur 15).
![]() |
| Figuur 15 - Zelfs bij een kleine helling moet het gesmolten zilver vanaf de trechtermond (centraal in het model geplaatst) al enkele mm tegen de zwaartekracht in vloeien. De laagste delen worden het eerst gevuld, de hoogste het laatst, en dan is soms het zilver al gestold. |
Stel u wilt een rond plaatje gieten dat op de dunste plaats 0,8 mm dik is en 5 cm in doorsnee, en het ligt onder een hoek van 5° t.o.v. de horizon. Ten opzichte van het middelpunt ligt de uiterste rand aan de ene zijde 2,2 mm boven, aan de andere zijde 2,2 mm onder het centrum van het model (25 mm·tg 5° = 2,18 mm); deze hoogteverschillen bedragen in dit voorbeeld ruim 2½ keer de dikte van het plaatje. Het zilver vloeit met de zwaartekracht mee eerst naar de laagste delen, de hoogste delen komen het laatst aan de beurt, en dan kan het zilver al te ver zijn afgekoeld. De luchtkanalen dienen ook voldoende wijd te zijn, zodat de zeer snel door de grote hitte expanderende lucht (het gasvolume neemt in korte tijd 4-voudig toe) goed kan ontwijken en het zilver dus goed kan vloeien.
![]() |
Figuur 16 - Alle zwarte delen van de figuur komen verdiept in het model te liggen, dat daar dus het dunst zal zijn. De witte lijnen vormen de opstaande cloisons. Bij een centraal in het model geplaatste giettrechter (ter hoogte van de handen) is er de grootste kans dat in de linker figuur het onderste deel van de ellips en het bovenste deel met de aangegoten ring onvoldoende gevormd zal worden. Ook bij de rechter figuur is, bij een centraal geplaatste giettrechter, dat gevaar aanwezig, omdat het zilver nu het buitenste deel van de ellips vooral via het ondiepe middendeel van het mogel moet bereiken; probeer in dat geval een dikker model of meer excentrisch (naar rechts) geplaatste giettrechter. |
Zorg er voor dat het zilver en het gietbakje inclusief de schenkrand voldoende heet zijn. Het zilver moet echt goed heet en vloeibaar zijn. Als dat zo is, plaats dan het gietbakje klaar voor het schenken op de gietringen en giet in één korte beweging alle zilver in de giettrechter terwijl de vlam het zilver blijft verhitten.
Houd direct na het gieten de ringen en het blootliggende zilver onder de koude kraan.
Wrik de ringen los, verwijder alle zwarte stukken gietaarde en berg het overige weer in een luchtdicht gesloten doos of zak op.





